Jonathan van het Reve
Columns

Blanke mannen

10 november 2012

“Rutte II telt vijf vrouwen. Op de foto staan ze allemaal op de achterste rij.” – Wine Baljet, Almere (ingezonden brief Opinie & Debat, 7 november 2012)

Zo, die zit. Afgelopen woensdag stond bovenstaande observatie als ingezonden brief in deze krant. En inderdaad: op de traditionele bordesfoto staan de vijf vrouwelijke ministers allemaal op de tweede rij. Prima observatie dus, maar we mogen aannemen dat deze ultrakorte brief méér is dan een observatie. Hij impliceert iets, dat voel je. Iets over vrouwen en mannen. Maar wat?



In elk geval betreurt de schrijfster dat er geen vrouwelijke minister op de eerste rij staat. Dat zegt ze niet letterlijk, maar ze gaat er waarschijnlijk vanuit dat de lezer genoeg ervaring met dit soort uitspraken heeft om te snappen dat ze de situatie niet toejuicht. Oké, dus Mevrouw Baljet vindt het jammer dat er geen vrouwen op de eerste rij staan. Is dat alles?
    Nee natuurlijk. Er zit namelijk ook iets verwijtends in haar constatering. Er is een schuldige voor deze misstand, dat moet wel, anders heeft het ook weinig zin om erover te klagen. Maar wie dan? Dat staat er niet. Misschien wordt de lezer geacht om ook dat meteen te begrijpen, maar er zijn best veel kandidaten. Het protocol bijvoorbeeld, dat voorschrijft dat de ministers op het bordes gesorteerd worden op anciënniteit van hun departement. Of Rutte en Samsom, omdat zij geen zwaardere ministersposten aan vrouwen hebben gegeven. Of gewoon de Nederlandse vrouw, omdat zij liever part-time werkt en daardoor minder vaak de top bereikt...
    Laten wij er even van uitgaan dat het Rutte en Samsom zijn die hier impliciet worden beschuldigd. Dan is de volgende vraag: waarvan precies? Van seksisme? Zijn er goede vrouwen gepasseerd omdat ze geen man waren? Zijn er te weinig goede mannen gepasseerd omdat ze geen vrouw waren? Weet Mevrouw Baljet meer dan wij?
    Dat is het probleem met dit soort uitspraken: ze klinken scherp en nobel en je kunt er desgewenst instemmend over knikken, maar zonder verdere toelichting blijven ze schimmig en gratuit: “Weer vier mannen aan tafel bij Pauw & Witteman.” “Bij de VVD staat de eerste allochtoon pas op plaats twintig!” “Belachelijk dat we nooit een vrouwelijke premier hebben gehad.” Of, ook mooi, als verzuchting na een prachtige voorstelling: “Mm? Ja, was wel leuk hoor. Veel blanke mannen weer, dat wel. Maar goed...”
    Wat betekenen zulke uitspraken? Iemand heeft zijn best gedaan om een mooie cast of ministersploeg in elkaar te zetten, en dan wordt hij vervolgens tussen neus en lippen door uitgemaakt voor... ja, voor wat? Voor seksist? Voor racist? Op basis waarvan? Waarom wordt zo’n gedachtegang eigenlijk niet afgemaakt?
    Het is verbazingwekkend met welk gemak men dit soort vage, ongefundeerde, toch betrekkelijk zware beschuldigingen uit. In plaats van zich te richten op echte, concrete misstanden, roept men plichtmatig en gratuit “protest” als ergens een keer te weinig vrouwen of allochtonen te zien zijn. Zolang het voor de goede zaak is, is verdere toelichting kennelijk overbodig.

De Volkskrant, 10 november 2012



< vorige overzicht volgende >
Weblog
Twitter
Boek
Columns
Biografie
Contact